Het anker valt in Amsterdam: het Stroomkabels-arrest versterkt de positie van kartelschadeclaimanten
16 april 2026 | ECLI:EU:C:2026:293 | Gevoegde zaken C-672/23 en C-673/23: Het Hof van Justitie EU heeft op 16 april 2026 een belangrijk arrest gewezen over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in kartelschadezaken. De uitkomst is goed nieuws voor partijen die schade hebben geleden door een kartel en die hun zaak in Nederland willen brengen.
In kartelschadezaken is een terugkerende vraag welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen, zeker wanneer de gedaagden in meerdere landen zijn gevestigd. Artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-Verordening biedt daarvoor een oplossing: als er meerdere verweerders zijn, kunnen zij worden gedagvaard bij de rechter van de woonplaats van één van hen, mits de vorderingen zo nauw samenhangen dat gelijktijdige behandeling aangewezen is. Die ene verweerder functioneert dan als zogeheten ankergedaagde.
Maar wat als die ankergedaagde zelf geen adressaat is van het Commissiebesluit dat de inbreuk vaststelt? En wat als het gaat om een tussenholding die louter aandelen beheerde? Precies over deze vragen heeft het gerechtshof Amsterdam prejudiciële vragen gesteld, die het Hof van Justitie EU nu heeft beantwoord in de gevoegde zaken Bevestigende arrest CJEU – stroomkabels, 16 april 2026.
Waar ging het om?
De zaken betreffen twee afzonderlijke kartelschadeprocedures. In de eerste zaak vorderen overheidsbedrijven uit Bahrein, Koeweit en Oman schadevergoeding van vennootschappen die betrokken waren bij het stroomkabelkartel (Commissiebesluit AT.39610). In de tweede zaak vordert Unilever schadevergoeding van vennootschappen die betrokken waren bij een Italiaans golfkartonkartel (vastgesteld door de Italiaanse mededingingsautoriteit).
In beide gevallen is de ankergedaagde een in Amsterdam gevestigde Nederlandse vennootschap die zelf geen adressaat was van het betrokken inbreukbesluit. In de stroomkabelszaak betreft het Draka Holding BV, een dochter van de wél aangesproken Prysmian Cavi e Sistemi. In de golfkartonzaak betreft het Smurfit International BV, een tussenholding die in de inbreukperiode louter aandelen hield.
KERNVRAAG
Kan een in Amsterdam gevestigde vennootschap als ankergedaagde fungeren – en zo de bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam vestigen voor alle medegedaagden – ook als die vennootschap zelf niet als aansprakelijk is aangewezen in het inbreukbesluit?
Wat heeft het Hof beslist?
Het Hof heeft vijf vragen beantwoord. De vier inhoudelijk beantwoorde dicta luiden als volgt:
Dictum 1 – Niet-geadresseerde ankergedaagde volstaat
Een nauwe band kan bestaan ook als de ankergedaagde zelf niet aansprakelijk is gesteld in het inbreukbesluit, mits er “ernstige” aanwijzingen zijn dat zij behoort tot een onderneming waaraan de inbreuk is toegerekend.
Dictum 2 – Voorzienbaarheid: geen zelfstandig criterium
Voorzienbaarheid voor de medegedaagde is geen apart vereiste, maar een algemeen beginsel dat is verdisconteerd in de bevoegdheidstoets. Wie als deel van een onderneming heeft deelgenomen aan een inbreuk op artikel 101 VWEU, moet redelijkerwijs kunnen voorzien dat hij voor de rechter van een ander lid van die onderneming kan worden opgeroepen.
Dictum 3 – Toewijsbaarheid en buiten-EER schade
De rechter hoeft bij de bevoegdheidstoets de toewijsbaarheid van de vordering jegens de ankergedaagde niet te onderzoeken. Toewijsbaarheid kan wel als aanwijzing dienen dat er geen sprake is van kunstmatige bevoegdheidscreatie. Schade buiten de EER maakt de vordering niet kennelijk ongegrond.
Dictum 4 – Internationale én relatieve bevoegdheid
Artikel 8, punt 1, bepaalt zowel de internationale als de relatieve bevoegdheid van het gerecht in het rechtsgebied waarvan de ankergedaagde woonplaats heeft. De rechtbank Amsterdam is (in dit geval) dus automatisch de bevoegde rechtbank – zonder dat aanvullende nationale procedureregels nodig zijn.
Wat betreft de tussenholding-problematiek bevestigt het Hof dat het enkele feit dat een vennootschap louter aandelen hield en beheerde, op zichzelf niet in de weg staat aan aansprakelijkheid. Van belang is of de dochteronderneming van die tussenholding een economische activiteit uitoefende die een concreet verband had met het voorwerp van de inbreuk — het zogeheten Sumal-criterium (HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19).
Wat maakt dit arrest belangrijk?
Vóór dit arrest was onzeker of een niet-geadresseerde Nederlandse vennootschap als ankergedaagde kon dienen om de bevoegdheid van de Nederlandse rechter te vestigen voor alle betrokken medegedaagden. Die onzekerheid is nu weggenomen.
Het arrest bevestigt ook het Akzo-vermoeden in de civiele context: een moedermaatschappij die nagenoeg het gehele kapitaal van haar dochter houdt, wordt vermoed beslissende invloed uit te oefenen. Voor de bevoegdheidstoets is het voldoende dat niet op voorhand is uitgesloten dat de verweerders tot dezelfde onderneming behoren. De lat ligt bewust laag: de rechter hoeft zich in dit stadium niet uit te laten over de grond van de zaak.
Ten slotte biedt het arrest duidelijkheid over de positie van eisers met schade buiten de EER — denk aan overheden of bedrijven uit het Midden-Oosten of Azië die producten kochten die door een Europees kartel in prijs werden beïnvloed. Die schade maakt de vordering niet kennelijk ongegrond bij de bevoegdheidstoets.
Praktische gevolgen
Voor partijen die schade hebben geleden door een kartel waarbij één of meer vennootschappen in Nederland zijn gevestigd, opent dit arrest een duidelijk pad naar de Nederlandse rechter. Amsterdam is niet alleen internationaal bevoegd, maar ook de relatief bevoegde rechtbank -zonder dat daarvoor aanvullende nationale procesrechtelijke stappen nodig zijn.
Kartelschadezaken zijn complex en vereisen een zorgvuldige strategie: de keuze van de ankergedaagde, de onderbouwing van het ondernemingsbegrip en de aantoning van het Sumal-criterium zijn bepalende factoren. Het Stroomkabels-arrest geeft houvast, maar laat de feitelijke beoordeling aan de nationale rechter.
RUBICON’S VISIE
Dit arrest verlaagt de drempel voor slachtoffers van Europese kartels om hun zaak in Nederland te brengen, ook wanneer de directe karteldeelnemers elders zijn gevestigd. Dat is een wezenlijke stap vooruit voor effectieve private handhaving van het mededingingsrecht.
Vragen? Neem contact op met Nathan van der Raaij, Ianika Tzankova, Frank Peters of Maxime Eljon
Rubicon Impact & Litigation
info@rubiconlitigation.com
+31 (0) 20 237 43 73
"*" geeft vereiste velden aan